Met Pinksteren herdenken christenen de neerdaling van de Heilige Geest op de apostelen. Dit vond plaats op de vijftigste dag van Pasen: Pinksteren komt van het Griekse woord pentekostos, wat ‘vijftigste’ betekent. Volgens het Nieuwe Testament begonnen de apostelen en andere gelovigen daarbij in vreemde talen of in tongen te spreken. Maar wat is dat precies, spreken in tongen?
Plotseling kwam er uit de hemel een geluid dat leek op een enorme windvlaag en het vulde het hele huis, waar zij zaten. Op hun hoofden vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen. Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, zoals de Geest het hen gaf uit te spreken. (Handelingen 2:1-4)
Spreken in tongen, tongentaal, klanktaal – of met een moeilijk woord: glossolalie (van het Grieks glossa ‘taal’, ‘tong’ en lalein ‘spreken’) – is een verschijnsel dat veel voorkomt in een christelijke context. In het Nieuwe Testament wordt het genoemd als één van de gaven van de Heilige Geest. Wanneer iemand ‘in tongen’ spreekt, produceert hij een reeks onbegrijpelijke klanken. Zo iemand is bevangen door de Heilige Geest en spreekt tot God, zo zegt Paulus in de Bijbel. Maar tongentaal werd ook gebruikt om een boodschap van God door te geven aan anderen. In dat geval moest tongentaal vertaald worden.
Taal in trance
In die laatste vorm kennen we tongentaal ook via het Orakel van Delphi in de Griekse Oudheid. Via het Orakel konden mensen raad vragen aan de goden. De priesteres Pythia fungeerde als doorgeefluik van de god Apollo. In trance gaf zij antwoord op vele vragen. Daarbij sprak zij onverstaanbare teksten die door priesters werden vertaald. Maar ook in een andere context wordt wel tongentaal gesproken. Jonge kinderen bijvoorbeeld ontwikkelen vaak hun eigen taaltje, net als sommige schizofrenen.
Het spreken in tongen wordt tegenwoordig vooral beoefend in de pinksterbeweging. Dat is een christelijke stroming die de nadruk legt op de Heilige Geest die de discipelen met Pinksteren ontvingen. De leden van de pinksterbeweging zien het geloof in de eerste plaats als een persoonlijke ervaring. Vandaar dat tongentaal, waarbij direct met God wordt gecommuniceerd, een belangrijke rol speelt. Daarbij is het dus vooral een taal om met God te spreken. Mensen die in tongen spreken ervaren dit vaak als een soort trance, waarbij het onmogelijk is om gewone taal te spreken.
Universele klanken
In de Bijbel wordt gezegd dat de apostelen in vreemde talen en dialecten begonnen te spreken, zodat iedereen de boodschap van christus kon verstaan. Dat glossolalie zich op deze manier kan uiten, wordt door allerlei onderzoeken tegengesproken. De tongentaal die bestudeerd is, laat enerzijds zien dat de spreker alleen fonemen of klanken gebruikt uit zijn eigen moedertaal en eventueel ook uit vreemde talen die hij kent.
Aan de andere kant laat tongentaal kenmerken zien die in geen enkele taal gevonden zijn: er komen namelijk veel minder klanken in voor dan in een echte taal, en die klanken worden regelmatig herhaald. Het heeft veel overeenkomsten met een mantra. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat iedereen ‘betekenisloze taal’ kan produceren. In experimenten werd aan proefpersonen gevraagd om te praten alsof ze een taal gebruikten die ze niet kenden. De klankreeksen die deze personen uitstootten, kwamen nauw overeen met christelijke glossolalie. Bovendien hadden ze een aantal opvallende overeenkomsten.
In deze betekenisloze taal worden maar vijf klinkers gebruikt: de ie, oe, aa, ee en oo. Die vijf klinkers zijn precies de klinkers die in bijna alle talen van de wereld voorkomen. Het zijn klanken die ons spraakkanaal het makkelijkst kunnen maken, we hoeven er weinig moeite voor te doen. De lettergrepen eindigen meestal op een klinker of een n, l or r. Dit zijn zogenaamde sonoranten, medeklinkers met een klinkerachtig (sonoor) karakter. Dat betekent dat het open lettergrepen zijn, en ook die zijn makkelijker te maken dan gesloten lettergrepen: ze komen in alle talen voor (in tegenstelling tot de gesloten lettergrepen), en ook kinderen produceren open lettergrepen in een eerder stadium dan gesloten lettergrepen.
Meezingers
Maar vooral lijkt spreken in tongen heel veel op zingen. Vooral de terugkerende klankopeenvolgingen lenen zich hier goed voor. Af en toe zijn er daarom zangers en zangeressen die zingen in een zelfbedachte taal. Een voorbeeld daarvan is de Nederlandse inzending voor het songfestival in 2006: het nummer Amambanda van de Limburgse groep Treble. Het grootste deel van de tekst is zelfverzonnen, zoals het refrein:
Amambanda amambanda
Amambanda gwena mambanda Amambanda amambanda Gwena mamba gwena mamba
Opvallend is de veelvoorkomende a. Dat is de makkelijkste klinker om te zingen, omdat je bij deze klank je mond wijd open hebt. Klanken waarbij je mond gesloten is, zoals de ie, zijn moeilijker om te zingen. Net zoals stemloze medeklinkers trouwens, zoals de p en de t. Die zijn een obstructie in de luchtstroom, en belemmeren dus het zingen. De medeklinkers m, b, n, d en gw zijn allemaal stemhebbend, wat betekent dat bij het uitspreken je stembanden trillen. Het is ook niet voor niets dat het woord mama voor kinderen bijna overal ter wereld een van de eerste woordjes is. Het komt er zo makkelijk uit.
Nog zo’n lekkere meezinger overigens is Ding-a-dong: het winnende songfestivalnummer uit 1975. Of denk aan de ‘ketchupsong’ uit 2002 van de Spaanse groep Las Ketchup. Dat dat nummer in zoveel landen bovenaan de hitlijsten stond, heeft vermoedelijk te maken met de universele taal die ze gebruikten. Van Argentinië tot Zweden kon men het refrein moeiteloos meezingen.
Bronnen:
Yvan Lebrun 2001: Laliën en fasieën. Een neurolinguïstisch onderzoek naar afwijkend taalgebruik. Uitgeverij Acco, Leuven.
Marc van Oostendorp 2006: Glossolalie op het songfestival. Kennislinkartikel.
Jan Erik Grezel en Marc van Oostendorp 2007: Spreken in tongen: trance of techniek (Kennislinkartikel overgenomen uit Onze Taal)
Het computerprogramma TweetGenie raadt leeftijd en geslacht van Nederlandse twitteraars aan de hand van hun taalgebruik. TweetGenie is ontwikkeld door onderzoekers van de Universiteit Twente en het Meertens Instituut. In 85 procent van de gevallen raadt de computer het geslacht van twitteraars correct; bij de schatting van leeftijd zit hij er gemiddeld minder dan vier jaar naast. Hiermee is de inschatting van de computer nauwkeuriger dan die van mensen.
Taalgebruik onthult veel over iemands identiteit. Door sociolinguïsten is al veel onderzoek gedaan naar taalverschillen tussen mannen en vrouwen en mensen van verschillende leeftijden. Uit al die studies blijkt vooral dat het lastig is om generalisaties te maken. Ieder mens heeft namelijk verschillende identiteiten, afhankelijk van de context: een ambtenaar in functie spreekt anders dan thuis op de bank; een Limburger spreekt in Limburg anders in dan in Amsterdam. Een jong iemand gedraagt zich soms oud; een man gedraagt zich soms vrouwelijk. Bovendien is de uiting van geslacht en leeftijd verschillend per cultuur.
Spontane spraak
Afhankelijk van de context maken we keuzes in ons taalgebruik. In formele situaties, zoals tijdens een vergadering, proberen we ons zo neutraal mogelijk uit te drukken. Maar in informele sfeer, met onze vrienden in de kroeg, willen we juist een eigen identiteit uitdrukken. Die spontane gesprekken van ‘vrienden onder elkaar’ zijn voor sociolinguïsten het interessants, omdat die veel sociale informatie bevatten.
Voorheen moesten taalkundigen vooral de straat op om spontane gesprekken op te nemen, tegenwoordig blijkt ook Twitter een goeie bron voor taalkundig onderzoek. Een voordeel is dat je grote hoeveelheden proefpersonen tot je beschikking hebt. Maar ook dat de context op Twitter gevarieerd is: twitteraars kunnen hun tweet richten aan één persoon, aan een groep of aan een groot publiek. Daardoor zijn ze een weerspiegeling van de taal die we op straat horen. En met zulke grote aantallen data kun je ook nog eens algemene patronen ontdekken.
TweetGenie is onderdeel van het promotieonderzoek van Dong Nguyen. Zij wil o.a. onderzoeken hoe verhalen en geruchten zich via sociale media verspreiden. Hierbij is het van groot belang om verschillende typen gebruikers te kunnen onderscheiden.
Promovenda Dong Nguyen van de Universiteit Twente analyseerde het taalgebruik van 3185 Nederlandse twitteraccounts. Om alleen Nederlandse tweets te selecteren, zocht ze op tweets die het lidwoord het bevatten. In die enorme berg tweets zocht ze naar onderscheidende kenmerken voor geslacht en leeftijd. Op basis van de resultaten ontwikkelde Nguyen samen met haar onderzoeksteam (werkzaam aan de Universiteit Twente en het Meertens Instituut) het computerprogramma TweetGenie.
Ware leeftijd
Om te bepalen hoe nauwkeurig de schatting van de computer is, achterhaalde het onderzoeksteam van een groot aantal accounts de ware leeftijd en het ware geslacht. Deze konden vaak gevonden worden aan de hand van iemands profielbeschrijving, profielfoto of via LinkedIn. De computer bleek in 85 procent van de gevallen een goede schatting te maken van geslacht; bij de leeftijd zat hij er gemiddeld minder dan 4 jaar naast. Hiermee is de schatting van TweetGenie nauwkeurig dan die van mensen. Nguyen en haar collega’s lieten 17 proefpersonen de tweets van 20 verschillende Twitteraccounts lezen en vroegen om een inschatting van geslacht en leeftijd. Bij het schatten van de leeftijd scoorde de computer significant beter dan de mensen.
Maar hoe onderscheiden jonge en oude, mannelijke en vrouwelijke twitteraars zich nu? In leeftijd zijn er duidelijke verschillen aan te wijzen. Zo gebruiken jonge twitteraars meer eerste en tweede persoon enkelvoud (ik, jij) in hun tweets. Maar ook gebruiken zij meer hoofdletterwoorden als HAHA en LOL en verlenging van klinkers als in niiiice. Oudere mensen gebruiken over het algemeen complexere taal: langere tweets met langere woorden en meer voorzetsels. Maar ook meer links en hashtags. Blijkbaar hebben oudere twitteraars meer behoefte om informatie over te dragen, terwijl jongeren meer emoticons gebruiken. Overigens vinden we daarin ook een onderscheid tussen mannen en vrouwen. Mannen blijken vaker informatie te willen delen.
Op de website Tweetgenie kun je een twitteraccount invoeren, waarna een schatting van de leeftijd en het geslacht van de twitteraar verschijnt. Als de computer het bij het verkeerde eind heeft, kun je de ware leeftijd en het geslacht invullen. Aan de hand van die data kan het systeem leren en nog beter worden.
Meerdere identiteiten
Overigens was de leeftijd van vrouwen beter te voorspellen dan de leeftijd van mannen. Een mogelijke verklaring is volgens de onderzoekers dat het taalrepertoire van vrouwen gevarieerder is dan dat van mannen. Sterker dan mannen zouden vrouwen de behoefte hebben om hun identiteit uit te dragen door middel van hun taalgebruik. Ook voor de groep van dertigplussers waren leeftijd en geslacht moeilijker te voorspellen. Dat komt waarschijnlijk doordat mensen boven de dertig relatief minder taalverandering laten zien dan mensen onder de dertig.
Overigens laten twee voorbeelden in het artikel van de onderzoekers zien dat leeftijd soms heel moeilijk te schatten is. Zo wordt een 24-jarige student aangehaald die in zijn tweets veel dezelfde woorden gebruikt als een 17-jarige: Ik, <<, G :D, Hahahah, tmi en jij. Deze persoon heeft minder de behoefte zich te profileren als een volwassen twitteraar. Aan de andere kant is er een 19-jarige student die voornamelijk twittert over politiek. Hij gebruikt woorden als ministers, verkiezingen en kiezers: woorden die vaker voorkomen bij oudere twitteraars. Dit maakt nog eens duidelijk dat mensen niet altijd in een hokje te plaatsen zijn.
Bron: Dong Nguyen e.o. (2013): “How Old Do You Think I Am?”: A Study of Language and Age in Twitter.
Elke twee weken verschijnt op Kennislink een gastcolumn. De columnist is steeds een andere onderzoeker, die vanuit zijn of haar vakgebied schrijft over de wetenschap achter een gebeurtenis in de maatschappij of uit ons dagelijks leven. Deze week: assistent professor Mirko Tobias Schäfer over het gebruik van data.
Data zijn hot. In de academische wereld én in het populaire debat worden big data en open data als the next big thing beschouwd. De indrukwekkende infograhics die gebruikt worden in datajournalisme en dataonderzoek doen daar nog een fraai visueel schepje bovenop.
Mirko Tobias Schäfer is Assistent Professor Media en Culture Studies aan de Universiteit van Utrecht. Hij is medeoprichter van de Utrecht Data School, een onderzoeksproject waarbij studenten van de Universiteit Utrecht data onderzoeken en analyseren voor bedrijven, overheden en organisaties. Mirko is op Twitter te volgen als @mirkoschaefer. Mirko Schaefer
Data in beeld
Ook ik ben meer dan enthousiast over de mogelijkheden die nieuwe tools bieden om – bijvoorbeeld – enorme hoeveelheden Twitterdata te analyseren: wie communiceert in de Tweede Kamer met wie op Twitter, welke thema’s bespreken burgemeesters er, en wie zijn op Twitter influencers in het debat over duurzame energie in Nederland? (Een ‘influencer’ is iemand die invloed uitoefent op mensen die behoren tot je doelgroep.)
Dit zijn zomaar een paar grepen uit dataonderzoek dat zeer relevante gegevens kan opleveren. En uiteraard zijn wij academici ook niet vies van flitsende netwerkvisualisaties om de resultaten voor een breder publiek toegankelijk te maken.
Visualisaties hebben de eigenschap dat zij zeer overtuigend kunnen werken. Denk aan de visualisatie van de aswolk van die onuitspreekbare vulkaan in IJsland drie jaar geleden: een wolk die bijna heel Europa bedekte. Het leidde tot een vliegverbod van bijna een week. Echter, een luchtmonster was er niet bij aan te pas gekomen. De berekening was enkel en alleen op data gebaseerd. De uitdrukking ‘the map is not the territory’ (‘De kaart is niet het gebied’) kon bijna niet toepasselijker zijn.
Interpretatie van data
De rol van informatietechnologie in kennisontwikkeling wordt steeds groter en raakt soms direct beslissingsprocessen en beleidsvorming. In zekere zin worden beslissingen soms gedeeltelijk door machines gemaakt op basis van data-berekeningen. Ook is er sprake van een trend om resultaten als vrij vormgegeven visualisaties te presenteren. We moeten ons echter afvragen of we wel over de ‘mediawijsheid’ beschikken om deze afbeeldingen en de achterliggende data te begrijpen. De Utrecht Data School leert studenten daarom precies wat er achter een visualisatie schuil gaat. Ze leren data te verzamelen, op te schonen en gereed te maken voor analyse met een softwareprogramma.
Een visuele analyse van Twitter data. Anouk Meerman
Het is belangrijk om te beseffen dat aan de analyse van een data-monster veel beslissingen voorafgaan. Dit geldt in nog sterkere mate voor de visualisatie ervan. Het resultaat is dus altijd enigszins ‘geconstrueerd’. Vervolgens worden de resultaten in een bepaalde samenhang geplaatst, die ook bijdraagt aan de interpretatie. De wetenschap wil deze stappen transparant maken. Als onderzoeker wil je uitleggen hoe je tot een bepaald resultaat komt.
In het populaire debat gaan deze nuances vaak verloren. Het is echter cruciaal dat we een gezonde scepsis ontwikkelen voor kennis die van een computer afkomstig is. Dit betekent dat een kritisch begrip van de rol die informatietechnologie inneemt in onze beslissingsprocessen en kennisontwikkeling noodzakelijk is. Mijns inziens geldt dit niet alleen voor beleidsmedewerkers en bestuurders, maar ook voor de geïnformeerde burger, aangezien data centraal zullen staan in de kennismaatschappij van morgen.
IT IS rare that Johnson is compelled to respond to comments. But my last post, about the fun parallels in the hybrid development of English and Dravidian languages, seems to have stirred the passions of our readers. Many of them commented, dismissing the post as (at best) misguided and (at worst) a piece of neocolonial rubbish. That is a shame. Studying the history of India’s languages can be immensely fascinating. With so much linguistic diversity in the subcontinent, Indian languages can provide a primer on nearly every major aspect of historical linguistics: the ways in which sound systems and grammars change over time, the impact of socioeconomic, ethnic and religious divides, the influence of foreign languages, and the development of writing systems, to name a few. India is home to 22 constitutionally recognised languages and hundreds more unrecognised ones. India is also home to sizable communities natively speaking major world languages like Farsi, Arabic, Chinese, Tibetan, English, Portuguese and French. India should be fascinating, to Johnson readers especially, because it is a microcosm of the world’s language diversity.
The central focus of language studies in India is, of course, Sanskrit. As a liturgical language of Hinduism, Buddhism, and Jainism, Sanskrit has played an outsized role in India’s linguistic development. Over its lifetime, Sanskrit traveled as far as Indonesia, Japan and Afghanistan on the backs of Hindu and Buddhist religious emissaries. The language’s name for itself, saṃskṛta vāk, means “perfected speech”—and its users genuinely believed that Sanskrit was indeed perfect. Sanskrit grammarians and authors looked down on commoners’ prākṛta, “natural”, languages as seriously deficient compared to Sanskrit. Rulers and other elites felt the same way. (These prākṛta languages, descendants of Sanskrit, eventually became most of the languages spoken in northern India, Sri Lanka, Pakistan and Bangladesh, including Hindi, Urdu, Bengali, Punjabi, Sinhalese and Marathi.) Because the native religious traditions of India highly value the precise oral recitation of scriptures, the liturgical language itself holds sacred importance. For thousands of years, Sanskrit persisted as a language of religion and elite education even as local vernaculars increasingly diverged from it. This relationship parallels the continued formal use of Latin in continental Europe through the Middle Ages despite the Romance languages developing apart from it, or the freezing of written and formal Arabic in its Koranic form as the spoken dialects became, in effect, new languages over the past 14 centuries.
Sanskrit’s position of prestige also allowed it to infiltrate the vocabularies of unrelated languages. This included the major languages of southern India, including Kannada, Telugu and Malayalam, as I wrote last week. Sanskrit also influenced (and was influenced by) Tamil, another major southern Indian language. More recently, Tamil-speakers have worked to shed the language of its Sanskrit borrowings, in part because of complex class and ethnic politics associated with the creation of modern India. Farther off, Sanskrit words penetrated deep into languages like Thai, Burmese, Khmer, Javanese, Balinese, Malay and Indonesian. For prominent examples, see Bangkok’s Suvarnabhumi Airport, from Sanskrit suvarṇabhūmi, “golden land”, or Singapore, from siṃhāpura, “lion city”.
Sanskrit’s star billing in these many languages doesn’t mean that they are related to, or descended from, Sanskrit. A language’s genealogy is much more fundamental. Figuring out whether two languages are related, however distantly, involves a thorough study of the structural features of a language. Linguists look at many things to determine structural relationships. How is a language’s grammar constructed? Are there vowel and consonant sound changes that have occurred in many words? Are there written records of intermediate forms of a language? Did ancient historians observe language change? Are there well-known social, class, ethnic and religious divisions that could have affected the way a language is shaped? Historical linguists spend decades piecing together the different ways languages could have changed over time. Persistent and systematic patterns usually provide the best clues.
It’s no secret that, say, Nepali is descended from Sanskrit, though. The job of figuring out more distant cross-continental relationships is altogether more difficult. Sanskrit, as it happens, played a central role in the development of historical linguistics. The existence of a language family stretching from Ireland in the west to Bangladesh in the east, now known as the Indo-European language family, was first proposed when an Anglo-English civil servant, William Jones, discovered persistent similarities between Sanskrit, Latin and Ancient Greek. Two centuries of thorough research has created a body of ironclad scholarship in Indo-European linguistics. The Indo-European relationship does not mean that Sanskrit came from European languages, or that European languages came from Sanskrit. It means that languages as different as Irish, Italian, Russian, Armenian, Farsi and Bengali all share a very distant ancestor, a language known as Proto-Indo-European (PIE). Over thousands of years, PIE and its successors spread across Eurasia. PIE’s linguistic descendants underwent natural sound change, absorbed other languages’ vocabulary and assumed unique characteristics. Over time, they became the hundreds of modern Indo-European languages.
In the Indian subcontinent, PIE’s descendant Sanskrit came into contact with Proto-Dravidian languages, the ancestors of today’s modern southern Indian languages. (Some Dravidian languages, like Brahui, are found in Pakistan, suggesting that the family was once more widespread across the subcontinent.) That long and fruitful exchange gave Sanskrit, among other features, a new set of common sounds—retroflex consonants—that aren’t found in many other Indo-European languages. In turn, Dravidian languages absorbed, and continue to absorb, Sanskrit sounds and vocabulary. But Dravidian languages are structurally unrelated to Indo-European languages. This fact gets obscured by the confusing relationship of Dravidian languages to Sanskrit. Lots of vocabulary has been adopted into Dravidian languages because of Sanskrit’s status as a prestige language, and the sound catalogue of some Dravidian languages has changed as a result of this contact. These exchanges don't change the genealogy of a language group. Dravidian languages are distinct from Indo-European languages, just as Japanese is distinct from Chinese despite borrowing some of its features, and just as Farsi is distinct from Arabic despite borrowing some of its features. Similarly, Burmese, Thai, Khmer, Malay, Indonesian, Javanese and Balinese have all absorbed a great deal of Sanskrit vocabulary. Just as in Dravidian languages, Sanskrit-derived terms are used in formal or ritual contexts in those languages. Linguists have studied these languages and deduced that (like Dravidian languages) the grammatical structure of each is fundamentally different from Sanskrit and other Indo-European languages.
When language communities interact, the product is hardly easy to categorise and parse. When these interactions happened ages before anyone bothered to record them, the task is much harder. Languages can absorb a great deal of another language without ever changing its structure. Distant linguistic relatives might even meet up again, unrecognised, as when Hindi absorbed a great deal of Farsi vocabulary during Mughal rule in India. Languages might meet up more than once, as in English's on-and-off relationship with Latin-derived vocabulary. And distinct language communities can have different layers of exchange. Far away and long ago, the medieval Indianisation of Southeast Asia was largely led by people who spoke Tamil, a major Dravidian language. They spread both Tamil and Sanskrit, along with religion, to places like Cambodia and the Indonesian archipelago. Nearly a thousand years later, Tamil-speaking people again reappeared in Southeast Asia, brought to places like Singapore and Malaysia as indentured servants for European colonists in the 1700s and 1800s. The Tamil-Southeast Asia cultural contact was reborn, adding a rich new layer of complexity to an already hybridised culture.
The serious study of Indo-European languages, just like the study of any language group, is not normally part of any political or social agenda. What we know about the Indo-European language family is the product of centuries of thorough research—not just in the Indian subcontinent, but in places like Iran and Europe, too. This has included the painstaking reconstruction of (an idealised form of) Proto-Indo-European, a language which was never written down, but which researchers know must have existed to account for the systematic similarities between Bengali, Russian, Portuguese and the rest.
In India, though, some people have been busily rewriting parts of Indian history to conform to jingoistic ideas about Indian exceptionalism and cultural superiority. They have attempted to cut out huge swaths of history involving the exchanges Indians have had with Greeks, Persians, East Asians, Arabs, Central Asians, Southeast Asians, and Western Europeans. They intend to write a story of Sanskrit and Hindu culture that is “pure” and devoid of foreign influence. Linguists know, based on reams of research, that a form of PIE, the language, did arrive in India from elsewhere, becoming Sanskrit over time. That fact doesn't have to diminish the "Indianness" of the language. Sanskrit's deep and longstanding cultural importance in the subcontinent is a strong enough connection. Its shared ancestry with farflung languages is just one of the many connections that have been made and remade over and over again in India's history.
This approach, of course, is nuanced and complex. Matters get complicated when religion and cultural identity is at stake, and Sanskrit isn’t alone in being used as an ideological tool. Hebrew, for another, has been touted as a “perfect” language and the source of all the world’s languages. Trained linguists describe the world’s languages as they are, not in the service of political, social or religious ends. It’s a shame that the conversation about India’s linguistic history gets twisted in ways that are at odds with what linguists and historians have deduced. Viewing India as a microcosm of the world’s diversity is far more fascinating. Seeing Indian languages as the product of many rich and varied cultural exchanges is far more exciting. These perspectives also have the virtue of being true to the facts.
INTERNET memes rarely hit and then provoke counter-reaction this fast. First, watch this video, whether or not you know the context.
Now, the context. Three women had been missing in Cleveland for a decade. The man here, Charles Ramsey, rescued them after hearing a cry for help from a front door in his neighborhood. The area has been described as "rough" and working-class. From his speech you might guess that he is poor himself, and not highly educated.
Now, did you find him funny? Exotic? Stupid? If you found him funny, funny like an entertainer, or funny like entertainment?
I'll bet that how you see these things will correspond to some preconceived notions that you have. And one writer, Aisha Harris for Slate, found Mr Ramsey's rocket-ride to internet fame unsettling:
Ramsey has become the latest in a fairly recent trend of "hilarious" black neighbors, unwitting Internet celebrities whose appeal seems rooted in a "colorful" style that is always immediately recognizable as poor or working-class.
Well, yes. And why might that be?
It's difficult to watch these videos and not sense that their popularity has something to do with a persistent, if unconscious, desire to see black people perform. Even before the genuinely heroic Ramsey came along, some viewers had expressed concern that the laughter directed at people like Sweet Brown [another black internet celebrity] plays into the most basic stereotyping of blacks as simple-minded ramblers living in the "ghetto," socially out of step with the rest of educated America. Black or white, seeing Clark and Dodson merely as funny instances of random poor people talking nonsense is disrespectful at best. And shushing away the question of race seems like wishful thinking.
Now, did you see a "simple-minded rambler"? It's true that Mr Ramsey's accent, word-choice and grammar all suggest a black American without higher education:
I’m eatin’ my McDonald’s..
Po-lice
“it’s [ie, "there are"] some more girls up in that house”
You got some big testicles to pull this off, bro.
But the totality of the interview suggests a fast-thinking and clever man. What I, like many others, will remember best is the end of the interview:
Newscaster: What was the reaction on the girl’s faces? I can't imagine, to see the sunlight...
A: Bro, I knew something was wrong when a little pretty white girl ran into a black man’s arms. "Something is wrong here." Dead giveaway.
Of course many people are forwarding the video eagerly, in part because Mr Ramsey doesn't speak like the co-workers in their office towers. But they're also forwarding it because it's proof that a poor person is not dumb by virtue of the fact that he doesn't speak the Queen's (or, as we say in America, Broadcast) English. On the contrary, he's clearly quick on his feet in addition to being the kind of person who runs to save strangers. (In this video, not as funny, his thinking is on even clearer display.) I'd like—and I imagine Slate's Aisha Harris would like—everyone to remember the lesson that a heavy African-American accent or dialect has nothing to do with anything but dialect. Judge someone negatively because (for example) he says police and you just might misjudge a clever man—or a hero.
SPRING Performing Arts Festival programmeert op de grens van theater, dans en performance. Het festival laat de meest recente ontwikkelingen en crossovers in de podiumkunsten zien. Klik hier voor meer informatie en het programma.
THE Washington Post reports today that linguists have discovered a handful of "ultraconserved" words, some 15,000 years old. These are said to include "hand", "give", "bark" and "ash". The paper is "Ultraconserved words point to deep language ancestry across Eurasia," by Mark Pagela, Quentin D. Atkinson, Andreea S. Calude, and Andrew Meade in the Proceedings of the National Academy of Sciences.
The Post buried the real news, though: what the new paper does is claim this as evidence that 7 modern language families, not yet conclusively shown to be related, are part of an Ur-family called proto-Eurasiatic. By their theory, the Indo-European, Uralic, Altaic, Inuit-Yupik, Dravidian, Chukchi-Kamchatkan and Kartvelian languages all share a common ancestor. The descendants of these proto-languages are spoken in a vast territory covering most of Eurasia including the Indian subcontinent today.
What the Post doesn't even brush on is how controversial this is likely to be. Historical linguists have not just established the existence of proto-families. They have elaborately reconstructed them. By contrast, the authors of the latest PNAS paper have, apparently, found just 23 words they think are shared among at least four of the seven families in the putative Eurasiatic. Clever statistical analysis can make a stab at answering how likely this is to be due to chance. But such analysis after 150 centuries of language change can hardly give certainty.
I don't have the paper yet, but hope to get it and offer further thoughts. In the meantime, listen to audio recordings of the proto-words (link now fixed) as reconstructed in the intermediate families (Indo-European, Dravidian and the rest). The similarities are indeed striking. Are they also persuasive?
Addendum: Just last week, Piotr Gasiorowski wrote this, roughly the established view:
If we ever manage to prove that the IE [Indo-European] languages are related to some other established family, the reconstructed features of the common ancestor will naturally be even harder to constrain, and the protolanguage itself more elusive and fragmentary. It is hard to predict how far back in time our best reconstructive methods can take us before the notion od "protolanguage" becomes too vague to be meaningful. We can only resolve this question empirically, by putting our methods to extreme tests. If we consistently fail, it may mean that we have already reached the limit. Fortunately, there is no shortage of enthusiasts undaunted by the difficulties of long-range comparative research. Their efforts are necessary and praiseworthy, but the results so far have been rather disappointing. Only time can tell if further progress can be achieved.
Kunsthistoricus Jan de Jong komt met verrassende resultaten in zijn boek The Power and the Glorification. Uit zijn onderzoek blijkt dat pausen in de 15de en 16de eeuw systematisch de geschiedenis vervalsten. Hiermee probeerden ze hun afbrokkelende macht weer een beetje op te krikken.
Eeuwenlang was de pauselijke macht onaantastbaar geweest. De paus stond als de vertegenwoordiger van God op aarde boven koningen en keizers. In de late middeleeuwen begint dit te veranderen. Tekstcritici, waaronder Erasmus, bewezen dat kerkelijke teksten niet altijd juist waren vertaald of geïnterpreteerd. Sommige teksten bleken zelfs vals, zoals een Latijnse oorkonde uit de achtste eeuw met de titel Donatio Constantini, Schenking van Constantijn. In dit document stond dat de eerste christelijke keizer, Constantijn de Grote (ca. 280-337), het wereldlijke oppergezag van het West-Romeinse Rijk overdroeg aan de paus en dat deze bisschop van Rome boven andere bisschoppen stond. Deze oorkonde hadden de pausen eeuwenlang gebruikt om hun positie boven de wereldlijke heersers te bevestigen.
Giulio Romano en Gianfrancesco Penni, Keizer Constantijn schenkt zijn gebied aan de Kerk. Vaticaans paleis, Rome: Zaal van Constantijn, 1523-24 Jan de Jong
Met de komst van de protestanten, die de paus niet erkenden als hoofd van de kerk, brokkelde de macht nog verder af. Om hun macht terug te krijgen, pasten pausen in de 15de en 16de eeuw geschiedvervalsing toe op muur- en plafondschilderingen. Kunsthistoricus Jan de Jong heeft voor het eerst systematisch de schilderingen in pauselijke paleizen te Rome onderzocht. De schilderingen werden in opdracht van verschillende pausen gemaakt en beeldden de geschiedenis van deze pausen en hun voorgangers uit.
De Jong benaderde deze geschilderde geschiedenis als tijdgenoot van de pausen. Wat kregen bezoekers van de pauselijke vertrekken voorgeschoteld? Wat was de impact van deze afbeeldingen? Daarnaast vergeleek De Jong de afgebeelde geschiedenis met de werkelijke geschiedenis. Hieruit bleek dat manipulatie de pausen niet vreemd was.
Effect pauselijke propaganda
Pausen lieten zichzelf en hun voorgangers schilderen als onmiskenbaar hoofd van de kerk. In de schilderingen werden ze vol eerbied behandelden door wereldlijke heersers, wat de pauselijke macht historisch gegrond moest maken. De Jong: “Pausen lieten scènes schilderen waarin vroegere koningen duidelijk nederig werden afgebeeld. Ze bogen gehoorzaam voor de paus en kusten zijn voeten. Bij de afbeelding van keizer Constantijn ging het zelfs nog verder: hij liep als een stalknecht door de stad, met de paus naast hem op een paard.”
Deze scène heeft niet werkelijk plaatsgevonden en moest latere keizers het goede voorbeeld geven. Zoals de keizer zich vroeger gedroeg, hoorde de tegenwoordige keizer zich ook te gedragen. Pausen hadden weinig keus dan tot dit soort manipulatie over te gaan, aangezien wereldlijke heersers met hun legers sterker waren dan hij.
Taddeo en/of Federigo Zuccaro, Keizer Karel V knielt voor Paus Paulus III tijdens zijn ontvangst in Rome. Palazzo Farnese, Caprarola, 1562-62 Jan de Jong
De indrukwekkende schilderingen werden in wachtruimtes van de pauselijke paleizen gemaakt. Koningen of hun afgezanten werden expres een tijdje in de wachtkamer gezet, zodat de geschiedenis, en de houding van de koning ten opzichte van de paus, goed tot hen kon doordringen. Door deze propaganda wisten de bezoekers met hoeveel respect ze de paus dienden te behandelen. Ze konden moeilijk achterhalen dat de scènes die ze zagen gemanipuleerd of zelfs verzonnen waren. Ze hadden geen geschiedenisboek of ander naslagwerk bij de hand om het te controleren.
Schilders wisten van bedrog
En de schilders? Wat vonden zij van de geschiedvervalsing? De Jong: “Alleen de beste schilders werkten voor de paus en het was dan ook een hele eer om gevraagd te worden. De schilders hadden niet de vrije hand en werkten puur in opdracht. Historische adviseurs van het pauselijke hof vertelden precies welke historische afbeeldingen of verhalen getoond moesten worden en hoe. De adviseurs keurden ook de gemaakte ontwerpen goed, voordat ze op de muren kwamen.”
“Je moet de schilders van toen meer zien als reclamemakers. Hun kunst was veel functioneler dan tegenwoordig: het moest zo effectief mogelijk een boodschap zien over te brengen. Als strategie werd ingespeeld op onwetendheid; op het feit dat de bezoekers geen exacte historische kennis hadden.”
Giuseppe Porta Salviati, Keizer Frederik Barbarossa vraagt vergiffenis aan Paus Alexander III. Vaticaans paleis, Rome: Koninklijke ontvangstzaal (Sala Regia), 1563-64 Jan de Jong
De schilderingen met bijschriften in het Latijn waren alleen te bewonderen door het pauselijke bezoek, vaak uit de hoogste klassen. Of ze zich realiseerden dat ze naar propaganda stonden te kijken is moeilijk te achterhalen. Er zijn maar weinig bronnen die vermelden wat bezoekers van de schilderingen vonden. Een uitzondering is Arnold van Buchel, een gegoede jongeman uit Utrecht. Hij woonde in 1587 in Rome en schreef een uitvoerig verslag van wat hij allemaal zag. Eenmaal thuisgekomen, sloeg hij de boeken er op na om erachter te komen dat de pausen met de geschiedenis hadden geknoeid. Van Buchel voelde zich in de maling genomen en schreef boos dat de ‘pauselijke parasieten’ de geschiedenis hadden vervalst.
De besproken schilderingen, hun makers en opdrachtgevers
- Schilderingen van Barnardino Pintoricchio in de Engelenburcht (Castel Sant’Angelo), ca. 1495, gemaakt in opdracht van Paus Alexander VI. De scènes tonen het bezoek van koning Karel VIII van Frankrijk aan paus Alexander VI in Rome in 1494 (de schilderingen zijn in de 17de eeuw verloren gegaan)
- Schilderingen van Jacopo Ripanda in het Conservatorenpaleis op het Capitool van Rome, ca. 1493-1508. Gemaakt in opdracht van de conservatoren (soort wethouders) van Rome, in combinatie met een standbeeld van Paus Leo X (1513-21), gemaakt door Domenico Amio, ook in opdracht van de Conservatoren (het standbeeld staat nu in de kerk van S. Maria in Aracoeli op het Capitool).
-Schilderingen van Rafaël en Giulio Romano in de Zaal van Constantijn in het pauselijk paleis van het Vaticaan, ca. 1519-24. Voorstellingen uit het leven van keizer Constantijn en paus Silvester I, gemaakt in opdracht van paus Leo X en na diens dood paus Clemens VII.
- Schilderingen van Taddeo Zuccaro in het paleis van de familie Farnese in Caprarola nabij Rome, ca. 1562-63. Voorstellingen uit het leven van paus Paulus III Farnese (1534-49), gemaakt in opdracht van diens kleinzoon kardinaal Alessandro Farnese.
- Schilderingen uit de geschiedenis van de pausen in de middeleeuwen en de 15de en 16de in de Sala Regia (Koninklijke ontvangstzaal) van het pauselijk paleis van het Vaticaan. Geschilderd tussen 1564-72, door diverse schilders in opdracht van drie opeenvolgende pausen (Pius IV, Pius V, Gregorius XIII)
Over de auteur
Jan L. de Jong is Universitair Docent Kunstgeschiedenis van de vroeg moderne tijd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn expertise is de Italiaanse schilderkunst (1400-1600).
Deze week verscheen zijn boek The Power and the Glorification. Papal Pretensions and the Art of Propaganda in the Fifteenth and Sixteenth Centuries
Begin mei krijgt de Tweede Wereldoorlog altijd extra aandacht. En niet voor niets, want nog steeds komen nieuwe onderzoeksresultaten over deze gruwelijke periode boven water. Onderzoeker Elias van der Plicht, co-auteur van het boek Jacht op het Verzet, deelt zijn ontdekkingen over alcoholmisbruik door Nederlanders in Duitse dienst met Kennislink.
Themaweek op Holland Doc 24: Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog
Rondom Dodenherdenking en Bevrijdingsdag zendt Holland Doc 24 een week lang documentaires uit over de verschillende rollen van Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Themaweek op Holland Doc 24: Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog
Holland Doc 24 is hét documentaireplatform van de publieke omroep. Het bestaat uit het televisieprogramma Holland Doc op Nederland 2, Holland Doc Radio op Radio 1, het digitale kanaal Holland Doc 24 en de website hollanddoc.nl.
Mouw insigne Sicherheitsdienst wiki commons
Nijmegen, zomer 1942. Nadat een aantal Joden aan de Kelfkensweg zijn gearresteerd, wordt hun huis door de Sicherheitsdienst geplunderd. Ook SS-agent Anton Wiebe is van de partij. Hij is van plan zijn meegebrachte koffer vol te stoppen. Tijdens de rooftocht vindt hij een fles jenever waar hij niet vanaf kan blijven. Binnen de kortste keren is hij stomdronken. Als hij de volgende dag met een kater wakker wordt, merkt hij dat hij alleen een leeg sigarenkistje als buit heeft meegenomen.
Uniek archief
Dit verhaal is te vinden in Wiebes strafdossier. Het ligt in het Nationaal Archief, tussen de maar liefst 500.000 andere dossiers van Nederlanders die na de oorlog werden verdacht van collaboratie of oorlogsmisdaden. De strafdossiers vormen tezamen een uniek archief: het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Het CABR is een bijzonder rijk archief met onder andere duizenden processen-verbaal over arrestaties van joodse onderduikers en verzetsstrijders. Van de meeste arrestanten waren de gegevens over hun gevangenneming tot dusver onvindbaar: het CABR is een archief van daders en daardoor slechts op één manier te raadplegen: via de naam van de dader.
Nabestaanden van de slachtoffers weten vaak niet wie hun vader, opa of oom arresteerde, waardoor hun onderzoek al snel op een dood spoor belandde. Met een handvol historici werkte ik aan een project om een gedeelte van het CABR ook op naam van slachtoffers toegankelijk te maken. In de strafdossiers vonden we de namen van 9.000 gearresteerde Joden en 12.000 mensen die opgepakt werden vanwege activiteiten die de bezetter niet beviel. Dat liep uiteen van het dragen van een oranje speldje tot het plegen van een gewapende aanslag. Door dit onderzoek kan het Nationaal Archief geïnteresseerde nabestaanden nu beter van dienst zijn.
De mogelijkheid om meer informatie te verzamelen over het lot van de slachtoffers is niet het enige resultaat van het onderzoek. We zijn bij ons werk op zoveel nieuwe gegevens gestuit over de Jodenvervolging en de strijd tegen het verzet dat we besloten ze te verzamelen, te ordenen en vast te leggen. In het najaar van 2011 verscheen het boek Jodenjacht en in maart 2013 kwam De jacht op het verzet uit.
De jacht op het verzet
Het boek beschrijft de wreedheid en het sadisme, gestimuleerd door overmatig drankgebruik, door de geüniformeerde Nederlandse evenknie van de Duitse bezetter. Verzetsmensen werden gruwelijk gemarteld en zonder proces geëxecuteerd, huizen werden geplunderd en in brand gestoken en frustraties werden ongecontroleerd botgevierd op hulpeloze slachtoffers.
Deze informatie komt uit ruim 200 strafdossiers van veroordeelde oorlogsmisdadigers, die samen 12.000 mensen arresteerden voor kleine en grote verzetsdaden. Gegevens over hun gevangenneming waren vaak onbekend, omdat ze in de strafdossiers stonden van de oorlogsmisdadigers die de arrestanten achter slot en grendel hadden gezet. En de namen van deze oorlogsmisdadigers waren vaak onbekend bij de slachtoffers of hun nabestaanden.
De honderden verhalen die door de onderzoekers Elias van der Plicht, Marie-Cecile van Hintum, Margot van Kooten, Anne-Marie Mreijen en Liesbeth Sparks zijn opgeschreven, zijn onder redactie van Ad van Liempt gerangschikt tot de Jacht op het verzet.
Alcoholmisbruik
Eén van de opvallendste zaken die bij het onderzoek naar boven kwam, is de rol die alcohol speelde tijdens de bezetting. Het verhaal over de stevig drinkende SS-agent Anton Wiebe komen we in Jodenjacht tegen. Het staat niet op zichzelf. De jagers op Joden en het verzet dronken bij het leven. In de ideologie van de nationaalsocialisten was dronkenschap een gruwel. Maar zoals zo vaak kwamen ideologie en praktijk niet altijd overeen. Met name aan het einde van de oorlog verslapte de discipline.
In De jacht op het verzet zijn misstanden die onder invloed van drank werden gepleegd verzameld: tientallen verhalen over dronken SD’ers, politieagenten, en landwachters. De drank zorgde voor excessen. Ons onderzoek leidt tot de conclusie dat alcohol tijdens de Tweede Wereldoorlog een factor van belang was. Een onderschatte factor bovendien, want voor zover kon worden nagegaan, is over de rol van sterkedrank in de Tweede Wereldoorlog tot dusver vrijwel niets gepubliceerd.
Hoe kwamen al die agenten, SD’ers en landwachters aan drank? Niet door het te kopen – daar was alcohol te schaars en dus te duur voor geworden. In het eerste jaar van de oorlog was een borrel nog voor vijftien cent te krijgen. Maar in de laatste oorlogsjaren moest soms wel meer dan tien gulden voor een neutje worden neergelegd. Drank werd daarom niet gekocht maar gestolen.
In Zwolle verloor een drankhandelaar op die manier zijn voorraad. Twee dagen nadat hij ongeveer 1400 liter jenever had binnengekregen, stond een groep landwachters voor de deur. Eén van hen vroeg of er onlangs nog alcohol was binnengekomen. De drankhandelaar leidde de landwachters naar de opslagplaats, waarop hun leider uitriep: “Ha, hier staat jenever genoeg! Hier is wat voor ons bij en ook voor de kameraden in Deventer.” Ze haalden een bakfiets en namen ruim tachtig liter jenever, vijf flessen advocaat en zeven liter oude klare mee.
Geweten sussen
Een teveel aan alcohol leidt tot wantoestanden, dat is in tijden van vrede niet anders dan in een oorlog. Maar doordat gedurende de Tweede Wereldoorlog juist de mensen die het geweldsmonopolie hadden vrij gemakkelijk aan drank konden komen en zo vaak te diep in het glaasje keken, ontstonden grote misstanden.
In Leeuwarden bijvoorbeeld. De SD’er Grundmann mishandelde daar samen met een collega Douwe Harkema, die zijn huis had opengesteld voor onderduikers. De twee SD’ers leken geen haast te hebben: terwijl ze Harkema de ene na de andere harde klap gaven, dronken ze in de tussentijd jenever. Toen Harkema na het verhoor naar zijn cel werd gebracht, zag de gevangenisdirecteur dat hij volkomen in elkaar was geslagen.
Viersterrenhotel Kasteel Engelenburg in Brummen. Tijdens de oorlog werd hier hevig en onder invloed gemarteld. Elias van der Plicht
Na de oorlog, tijdens het strafproces tegen Grundmann, vertelde de gevangenisdirecteur over de dag dat Harkema hardhandig werd verhoord. Hij zei: “Het bleek mij dat Grundmann, ondanks het feit dat het nog vroeg in de morgen was, onder invloed van alcoholische drank verkeerde.” Het is slechts één voorbeeld uit een reeks aan verhalen.
Bij acties waarbij arrestanten zwaar mishandeld werden, was de sterkedrank wellicht ook een middel om het opspelende geweten te sussen. Dat leidde tot paradoxale situaties, want juist door die drank ontstonden alleen maar grotere wantoestanden en martelpraktijken.
Eén van de meest treffende briefjes die we in de dossiers vonden, was van de vrouw van Gerrit Holla, een landwachter uit Roermond die meer dan zestig arrestaties had verricht. Holla dronk naar eigen zeggen meer dan een liter jenever per dag en kon daardoor zijn handen niet thuishouden. Na de oorlog werd hij opgepakt. In de gevangenis kreeg hij post van zijn vrouw. In het briefje confronteerde ze hem nog eens met zijn drankmisbruik. Ze schreef: “Ja lieve, had je maar naar mij geluisterd. Die vuile drank is de schuld van alles”.
Over de auteur
Elias van der Plicht studeerde geschiedenis, politicologie en Italiaanse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden en de Universiteit van Amsterdam. Hij is freelance historicus en journalist en verbonden aan historisch onderzoeksbureau Studio Storia.
Elias van der Plicht is co-auteur van Jodenjacht (2011) en De jacht op het verzet (2013). In deze boeken schreef hij over het kopgeld dat voor het oppakken van Joden werd uitgekeerd, over de nazi-methoden die bij het oprollen van verzetsgroepen werden gebruikt en over de rol van alcohol bij die arrestaties.
IF FORCED to pick my favourite part of the history of English, I’d be torn. There are so many to choose from. Would I pick the Great Vowel Shift, the mid-millennium change in pronunciation that largely explains English’s inconsistent spelling? Perhaps I’d turn to colonial times, when English vocabulary ballooned. I do like Noah Webster’s attempts to change American English spelling in the name of efficiency, too.
But my favourite must be the Norman invasion of 1066. When the Normans, who spoke a dialect of Old French, ruled over England, they changed the face of English. Over the ensuing two centuries, thousands of Old French words entered English. Because the ruling class spoke Old French, that set of vocabulary became synonymous with the elite. Everyone else used Old English. During this period, England's society was diglossic: one community, two language sets with distinct social spheres. Today, English-speakers pick and choose from the different word sets—Latinate (largely Old French borrowings) and Germanic (mostly Old English-derived words)—depending on the occasion. Although English is no longer in a diglossic relationship with another language, the Norman-era diglossia remains reflected in the way we choose and mix vocabulary. In informal chat, for example, we might go on to ask something, but in formal speech we’d proceed to inquire. There are hundreds of such pairs: match/correspond, mean/intend, see/perceive, speak/converse. Most of us choose one or the other without even thinking about the history behind the split. Germanic words are often described as earthier, simpler, and friendlier. Latinate vocabulary, on the other hand, is lofty and elite. It’s amazing that nine hundred years later, the social and political structure of 12th-century England still affects how we think about and use English.
English isn’t alone in having this sort of split personality. Halfway across the world, languages spoken in southern India underwent similar changes. Kannada, Malayalam, Tamil, and Telugu, the four major languages spoken there, are Dravidian languages. They are structurally unrelated to the languages of northern India, which are Indo-European. But Sanskrit, an Indo-European language of ancient India and the liturgical language of Hinduism, has held prestige all over the subcontinent for over two thousand years. Kannada, Telugu, and Malayalam—and to a lesser extent Tamil—have absorbed, and continue to absorb, thousands of Sanskrit words. (A relatively recent movement among Tamil-speakers aimed to expunge the Sanskrit borrowings.) Much of southern India, just like Norman England, was diglossic between Sanskrit (used ritually and formally by Hindu elites) and vernacular Dravidian languages. Today, that diglossia is gone, but Sanskrit-derived vocabulary still forms an upper crust, mostly pulled out for formal speech or writing.
Some writing, especially poetry, still slants toward native vocabulary. Two influential religious movements among Hindu Kannada-speakers, the 12th-century Lingāyat and the 16th-century Haridāsa movements, treasured simple Kannada poetry. These movements arose in part to spread religious teachings beyond Sanskrit-educated elites to the common people. Works written then are largely devoid of obvious Sanskrit borrowings. To many Kannada-speakers, those works are softer and folksier than stiffer Sanskrit-heavy works. But caste and class politics didn’t end then, of course. Sanskrit still holds sway in India today, officially one of the "scheduled" languages listed in the constitution. It sometimes seems like any Kannada newscaster or speechwriter worth his salt swears by a Sanskrit dictionary. Sanskrit borrowings are used all over the place in order to sound proper, even when it sounds strange. (My favourite example of strained usage is the upscaling of “toilet” to shauchālaya, “abode of cleanliness”.) In the most tortured formal writing, Sanskrit words might just be strung together with Kannada grammatical endings. This has the strange consequence of allowing speakers of unrelated languages like Hindi to take a stab at translating the text. (Hindi, as it happens, is also split between the Sanskrit-heavy shuddh, “pure”, Hindi, popular in government and academia, and colloquial Hindi, which makes greater use of Arabic and Persian borrowings.) There’s some sweet spot in the middle of both extremes. Good writers seem to get it best.
It has always fascinated me how the Sanskrit/Dravidian divide in Kannada is so strikingly similar to the Latinate/Germanic divide in English. In English, word choice is often used to judge someone's class or education. In Kannada, caste is also mixed in. Picking certain words over others can have social consequences, branding the speaker or writer according to his vocabulary. In both languages, older borrowings underwent sound and spelling changes, but newer borrowings keep the roots intact. (In English, these old pre-Norman borrowings are mainly religious terms, like "nun", "monk", or "priest".) “Native” terms are considered earthier and Sanskrit/Latin-derived borrowings are stuffier. But there are interesting differences, too. English didn’t descend from Latin, though they’re both Indo-European. Dravidian languages, in contrast, aren’t related to Sanskrit at all. In Kannada, Telugu and Malayalam, the alphabet had to expand dramatically to incorporate Sanskrit sounds like voicing and aspiration. The shift was so complete that each language's alphabet, while written completely distinctly, contains nearly all of the same sounds as the Sanskrit-descended Hindi.
Many languages have "high" and "low" layers of vocabulary. But in most other languages, the two sets are drawn from the same source. By contrast, contact between Old English and French, Dravidian languages and Sanskrit, Japanese and Chinese, Persian and Arabic, and other pairings around the world have created fascinatingly hybrid languages. These mixed lexicons are, for linguistic and social historians, akin to the layers of fossils that teach paleontologists and archaeologists so much about eras gone by.
Some people even think English is descended from Latin, or Kannada from Sanskrit. That’s frustrating not only because it’s wrong, but also because the reality is far more interesting.
2012 90's AKO AgentschapNL Alexander Pechtold Anders Breivik Apple Arondéuslezing Bart Chabot België Bert Brussen Boeken Bonaire Buitenlandse bedrijven Business Cervantesprijs Charles Dickens China Chinees Chinese vertalingen Chinese College Bescherming Persoonsgegevens Cornips Cost of Knowledge Dag van de Duitse taal Dance Daniel C. Denett De Pers Deloitte Dijsselbloem Docent van het jaar Doeschka Meijsing Draghi Duitsland ECB EU. vrouwen EU Eamens Easter Einstein Electrowetting Elektronisch papier Elsevier Engeland English Erasmusprijs Erasmus Euro2012 European Patent Office Europese Dag van de Talen Forum Frankrijk Frans Freedom House Fries GPD Gebied van Wernicke Gmail God Allemachtig Google Translate Google Grafische sector Grexit Griekenland Groot Katholiek Dictee Groot-Brittannië Guus Meeuwis Hatchet Job of the Year Award Hatchet Job of the Year Heerlen Henk Bleker Herman Koch Het diner Hitler IDeal ING Indo-Europees Inktspotprijs Institut Néerlandais Instituut voor Nederlandse Lexicologie Intellectual Property Internet Explorer James Joyce Jolande Sap Karlspreis Kiev Koninginnedag Koningslied Kuifje Limburgs Lof der zotheid London MSN Maarten Ducrot Management Mark Rutte Martinus Nijhoffprijs Max Planck Instituut Meertens Instituut Mein Kampf Microsoft Mooiste Spaanse woord NL EVD Internationaal NPO NRC Handelsblad NRW NTR NV-A Nationale Secretaressedag Nationale Voorleesdagen Nederland vertaalt Nederlands Nelson Mandela Nic Balthazar Nobelprijs Oekraïne Olympische Spelen Omroep Papiamentu Pasen Patents Persgroep Persvrijheid Poland Prepare2Start Pulitzer Prize Rotterdam Rutte SPRING Utrecht Samsom Selexyz Siegfried Woldhek Sign language Sjoerd Kuyper Skype Smaak Spaans Spanje Step Vaessen Taalfout Taalpeil Taalunie Tekst TextielLab Textielmuseum The Endangered Languages Project Theo Thijssen Thorbeckeprijs Tilburg Tour de France UK Ukraine Umberto Eco UvA VK Van Dale Vargas Llosa Vlaams parlement Vlaams Vrede van Nijmegen Penning Waals Wallonië Willem Vermeend Wim Daniëls Woutertje Pieterse Prijs Zeitgeist acta advertenties afasie alfabet alphabet antipiraterijwetgeving armoede auteursrecht baby's babynamen banken beëdiging bibliotheek body language boekenfestival boekenweek boekwinkel brain brein codetaal code communicatie congresnederlands cookies corrigeren crisis cultuurfonds cultuurmerk cv dagboeken debat dialect dictee digitale tijdperk duits dyslexie economie emoties endoniemen engels europa euro exoniemen expats export facebook film filosofie gehoor geluid google + hashtag hersenen hyves informatie internet investeringen journaal kinderboeken language language skills language skills languages language leraar leraren letters lezen lichaamstaal linguistic diversity linkedin linkshandigendag linkshandig literatuur maastricht man media meertaligheid merk mistakes monoloog mot-dièse nederland nos nrcnext.nl octrooi onderwijs leraar hbo-raad studeren hbo onderwijs overheid plagiaat politiek poëzie privacy proeflezen pvv recensies. literatuur recessie redundantie schrift schuldencrisis science seo sneeuw social media speech spelling spraakcentrum spraaktechnologie spraak stem studeren subsidieregeling subsidie taalachterstand taaladvies taalbeheersing taalblunders taalcommissie taalfouten taalgebruik taalnieuws taalontwikkeling taaltoets taalverandering taalverschillen taalverwerking taalverwerving taalwet taal talenkennis talenstudies talen tekstschrijven terminologie thijssen translations translation tv twitter typografie uitgever universiteit verkiezingen VS verkiezingen vertaalbureau vertaalsoftware vertalen vertalingen vertaling vrouw webteksten wegener weigerambtenaar wetenschappelijke literatuur wetenschap wielerjargon wielertaal wikipedia wildbreien woord van het jaar woordenboek woordgebruik wordfeud zoekmachine
0






